Mijn lijf hunkerde naar je donkere ogen, naar alles waar je voor staat. Naar Mars, de Grote God van de Oorlog, maar ook van Vuur en Vernietiging. Ik wilde niet liever, ik wilde niet minder, ik wilde niet meer. 

    “Maar zijn ogen zijn toch blauw?” 

    Lap.

    Hij bleek Antares te zijn. Het was voorbestemd dat ik viel, dat ik struikelde en de Melkweg kon zien. De kleine Rode Reus heeft niet lang meer: is het mogelijk om van iets zo hard te houden dat het niet doodgaat? De heldere Zuben Elschemali, ooit waren ze samen, de schubben en de scharen. 

    Ik hoop dat de Romeinen ons ook scheiden, want ik heb geen zin in deze liefde. Niet nu.

    Advertisements